Blog 5: Benauwd

Groen

Wat moet ik in godsnaam aan? Vertwijfeld kijk ik naar het stapeltje van vijf t shirts dat in de kast ligt. Het ene shirt is te bloot, het andere heeft niet de juiste kleur. Ik heb garderobe stress, niet omdat ik naar een feestje ga, maar omdat ik naar de gevangenis ga. Vanavond begeleid ik voor het eerst een workshop verhalen schrijven in de jeugdgevangenis. Tijdens de oriëntatie voor nieuwe vrijwilligers hebben we het uitgebreid gehad over de te volgen dress code. Ik heb geleerd wat ‘prison sexy’ is, zoals blote tenen en blote boven armen. In de ene gevangenis is spijkerstof absoluut uit den boze, terwijl je in de andere gevangenis juist geen gele of groene kleding mag dragen. We hebben het gehad over de fenomenologische vraag wat ‘groen’ dan precies is. Ik heb geleerd dat de bewaker deze vraag voor je zal beantwoorden en dat hij naar alle waarschijnlijkheid geen onderscheid zal maken tussen mintgroen, legergroen of appeltjesgroen.  In de gevangenis is groen groen. Elke gevangenis heeft zijn eigen regels, maar ze houden daar wel van meten met gelijke maten. Ik begrijp de interne logica van deze nieuwe wereld nog niet helemaal. Je mag geen kleding dragen die refereert aan een bepaalde groep of een bepaalde boodschap uit draagt, maar de kleuren combinatie rood-zwart is geen enkel probleem. Tijdens de lessen is elk onderwerp bespreekbaar, maar als ik een papiertje op de grond laat vallen mag niemand anders dat oprapen, want dat zou als het uitwisselen van geheime boodschappen kunnen worden begrepen. Schouderklopjes kun je beter niet geven, maar handen schudden mag wel. Alle regels lijken er op gericht om de interactie tussen buitenstaanders en gevangenen, of ‘inmates’, zoals ze symbolisch heten in het Engels, zo geformaliseerd en overzichtelijk mogelijk te houden. Ik word al bij voorbaat benauwd van de gedacht dat ik een etiquette faux pas zal begaan.

‘S avonds in de gevangenis krijg ik het daadwerkelijk fysiek benauwd. Zodra ik door de detectiepoortjes ben lijkt het alsof de zuurstof uit de lucht is verdwenen, ook als ik buiten loop op het met gaas overspannen pad naar de unit waar we de workshop zullen geven. Aan het einde van het pad stap ik een ruimte binnen met aan weerskanten zware metalen duren met kleine vierkante raampjes. Achter elk raampje kijkt een nieuwsgierig jongenshoofd me aan. Ik voel het laatste restje zuurstof uit mijn lijf ontsnappen, naar vrijere ruimtes. De gevangenis ontmenselijkt. Dat wist ik al, want ik heb Foucault gelezen. Nu voel ik het ook ineens. Deze jonge jongens zitten opgesloten en ik loop als bezoeker langs hun hokken, net zoals ik dat in de dierentuin zou doen. Ik word me fysiek bewust van het verschil tussen hen, de gevangenen, de in-mates, en ik, de bezoeker, de buiten-staander. Voor een uur moet ik me aanpassen aan de wereld hier binnen, maar daarna sta ik weer buiten en mag ik dragen wat ik wil, schouderklopjes geven, zelfs knuffelen met wie ik wil. Zij blijven binnen en kunnen hier niet kiezen wie ze willen zijn.  Ze dragen allemaal dezelfde legergroene overall, dezelfde beige plastic slippers. Ze mogen een uur met ons praten over het leven dat zich buiten afspeelt, daarna moeten ze elk weer terug in hun individuele hok, gescheiden van de anderen. Vaak wordt gezegd dat criminele jongeren verkeerde keuzes maken en niet goed weten wie ze willen zijn. Staande tussen de celdeuren vraag ik me af welke corrigerende werking deze “correctional facility” precies zou moeten hebben, als het de jongens hier binnen onmogelijk wordt gemaakt om überhaupt iets te kiezen, of iemand te zijn die zich weet te onderscheiden van, dan wel te verhouden tot anderen.

Tijdens de workshop ontspan ik, lach ik en beantwoord ik honderd vragen van de jongens, die zoals elke groep pubers op een stel jonge honden lijken. Ze willen weten hoe Nederlands klinkt en of er in Amsterdam naakte mensen over straat lopen. Ze zijn hartelijk en open, ze pesten elkaar en scheppen op. Ze vragen ook hoeveel geld je in Amsterdam kunt verdienen met het prostitueren van vrouwen en wat voor type wapens het meest populair zijn onder de Nederlandse gangs.

Aan een van de tafels zit Ricardo stil te werken. Zijn verhaal gaat over het thema ‘vertrouwen’. Zijn vriendinnetje is zwanger van een tweeling en hij maakt zich elke dag zorgen om haar. Ze heeft geen contact met haar ouders en logeert nu tijdelijk bij een oom van Ricardo. De oom is het enige familie lid waar ze terecht kon, maar Ricardo weet eigenlijk niet zo goed of hij zijn oom wel vertrouwt. Hij heeft geen idee hoe lang zijn vriendin daar kan blijven en of er wel goed voor haar wordt gezorgd. Hij hoopt er maar het beste van en wenst vurig dat hij op tijd uit de gevangenis zal komen om de bevalling mee te kunnen maken. Ineens voel ik de benauwdheid weer. Ik zoek naar woorden om Ricardo gerust te stellen. “Het komt wel goed” klinkt te plat in deze situatie en ik weet ook niet welk advies ik hem kan geven. Het verschil tussen binnen en buiten dringt zich op. Een puber in een vergelijkbare situatie buiten deze muren zou ik in de eerste plaats proberen van zijn machteloze gevoel af te helpen. Ik zou samen met hem proberen te bedenken wat hij zelf zou kunnen doen en wie hij om hulp zou kunnen vragen, in zijn eigen netwerk of bij de professionele hulpverlening. Ricardo zit hier, en zijn handelingsruimte is zeer beperkt. Hij kan niet zomaar bellen of bij iemand langs gaan om hulp, informatie of afleiding te zoeken. Hij zit letterlijk vast met zijn gedachten en hij weet niet wanneer hij weer vrij zal komen. Elk handelingsperspectief hier binnen is totaal anders dan buiten, besef ik me. Terwijl ik met mijn woorden stuntel staart Ricardo naar beneden. Hij wrijft onophoudelijk met zijn duim over de grote tatoeage op zijn onderarm. “Familia” staat er met sierlijke letters geschreven.

De buurman van Ricardo heeft ons gesprek half opgevangen en stoot hem aan. “Wat hoor ik”, vraagt hij, “krijg je een tweeling?” “Gefeliciteerd man!”, roept hij met een grote grijns op zijn gezicht. “Dat is heel bijzonder, ik heb zelf een tweelingbroer en het is fantastisch om een tweeling te zijn! Je kinderen zullen altijd elkaar hebben.” Ricardo glimlacht nu ook voorzichtig. Natuurlijk, zo is het, denk ik. Nieuw leven brengt ook nieuw geluk. De buurman van Ricardo laat zien hoe simpel het kan zijn om een klein beetje menselijkheid terug te brengen in deze intens complexe omgeving.  Ik leer van hem dat de jongens hier binnen niet alleen passieve slachtoffers zijn, maar ook denkende en handelende jonge mensen, hoe beperkt hun bewegingsruimte ook is.