Blog 8: Armoede

VS gevangene

“Ben je getrouwd, Miss F.?” vraagt Jayden. De jongens in de jeugdgevangenis hebben me Miss F. gedoopt omdat dat makkelijker te onthouden is dan Femke. “Jazeker” zeg ik. “Maar je hebt geen trouwring” zegt Jayden verbaasd. “Jawel” zeg ik terwijl ik op mijn ring wijs. “Dat is geen trouwring!” roept Jayden uit. “Wat voor materiaal is dat? Gewoon zilver? Nouja, dat kan echt niet. Er zit niet eens een diamant in. Een ring zonder steen is geen trouwring. Heeft je man geen geld ofzo? Is hij een pauper? Is hij werkloos?” “Nou nee, dat valt wel mee,” antwoord ik, “echt rijk is hij niet, maar hij is ook geen pauper. Deze ring vind ik juist mooi. Het is een symbool van hoe goed we het hebben samen. Ik houd niet van ringen met grote diamanten, bovendien had mijn man daar inderdaad geen geld voor gehad.” Jayden is niet overtuigd. “Maar hij moet je toch kunnen onderhouden”, zegt hij verontwaardigd. “Als je met mij zou daten dan had ik een veel betere ring gekocht. Dat moet je toch over hebben voor je vrouw. Geld is voor mij geen probleem! Ik zou een ring met een diamant zo kunnen kopen voor je.” Ik moet grinniken om zijn halfslachtige versierpoging. Jayden kijkt er zelf een beetje ongemakkelijk bij, alsof hij ook wel snapt dat dit gesprek niet helemaal de gepaste kant op gaat. Ik slik een preek over materialisme in en probeer hem weer aan het schrijven te krijgen.

 

Jayden is niet de eerste die probeert een goede indruk te maken door op te scheppen over geld. Tijdens een eerdere workshop praatte ik met Jesse, een guitige, slungelige jongen met een uilenbril. Jesse vroeg me hoe veel een ticket naar Amsterdam kost. Ik zei dat ik het behoorlijk prijzig vond, dat een retourtje vanuit San Francisco zo duizend euro kost. Jesse vond dat een eitje. Het leek hem wel wat om een keer in Amsterdam op vakantie te gaan na zijn vrijlating. “Ik heb geld zat,” verzekerde hij me. “Op mijn veertiende huurde ik al mijn eigen appartement. Dat kon ik betalen omdat ik een stel meisjes voor me had lopen op straat. Ik verdiende zo een paar ruggen op een avond.” Ik was geschokt over het gemak waarmee zo’n jong joch zichzelf als pooier presenteerde. Aangedikt verhaal om mijn reactie te peilen of niet, zijn bravoure stemde me behoorlijk moedeloos. Ik vroeg hem of hij zich wel eens in de meisjes had verplaatst die voor hem tippelden. Hoe zouden zij zich hebben gevoeld? Dat had hij zich nog nooit afgevraagd, gaf hij toe, maar hij ging er vanuit dat ze tevreden waren, omdat ze zelf ook prima verdienden.

 

In reactie op deze obsessie met geld voel ik sterk de behoefte om de moralistische schooljuf uit te hangen. Ik wil de jongens in de jeugdgevangenis vertellen dat vriendschap en liefde veel belangrijker zijn dan geld. Dat geld niet gelukkig maakt. Dat je er egoïstisch van wordt en dat de VS toch al ten onder gaan aan egoïsme. Ik doe het niet, want er zijn al vele schooljuffen voor mij geweest die ze dit hebben verteld. De jongens weten dat hun flashy verhalen over geld niet worden gewaardeerd. De hele Amerikaanse samenleving spreekt misprijzend over de voorliefde voor blingbling  van jonge zwarte gangleden. Tegelijkertijd wordt dezelfde mentaliteit onder Amerikaanse bankiers, corpsballen en Hollywood sterren nooit zo direct veroordeeld. Zij hebben immers geaccepteerde manieren gevonden om aan hun geld te komen. De droom om rijk te worden van zwarte en Latino jongeren uit de inner city wordt snel gezien als immoreel, gevaarlijk en destructief. Dezelfde droom over individuele rijkdom van preppy jongeren die al allerlei privileges hebben wordt gezien als ambitieus, ondernemend en constructief. Zo scheef is het.

 

De jongeren die ik spreek in de gevangenis komen allemaal uit extreem arme gezinnen. Ze willen zich desnoods met geweld het rijke leven eigen maken dat ze in films en reclames voorgeschoteld krijgen. Ze weten heel goed: je bent in deze maatschappij pas succesvol en gerespecteerd als je kunt laten zien wat je hebt. Daarom begrijp ik dat geld belangrijk voor ze is. Tijdens een van de workshops schreef Reyna over de hypothetische keuze uit twee deuren. Achter de eerste lag eeuwige rijkdom, achter de tweede lag eeuwige liefde. Ze koos zonder twijfel voor de eerste deur, omdat voor haar liefde zonder rijkdom zinloos is. Reyna is opgegroeid in een huis waar altijd zorgen waren over geld en nooit genoeg eten in de koelkast lag. Haar moeder hield van haar, maar die liefde was niet voldoende om een leven zonder stress te kunnen leiden. Reyna droomt ervan om over een paar jaar een gezin te stichten en één ding weet ze zeker: dat ze haar kinderen niet wil laten opgroeien met een lege koelkast.

 

Jongeren zoals Reyna hebben armoede niet alleen van huis uit mee gekregen. Het feit dat ze nu in de gevangenis zitten zal naar alle waarschijnlijkheid leiden tot nog meer armoede in de toekomst. Het stigma dat rust op ex-gevangenen maakt het extra moeilijk om een opleiding af te maken en een baan te vinden. Zaken die er voor zorgen dat bankiers, corpsballen en Hollywood sterren met schone handen rijk kunnen worden – zoals een sociaal netwerk, een diploma van een goede universiteit en steun van de familie -, zijn niet voor hen weggelegd. De socioloog Loic Wacquant beschrijft hoe de gevangenis er niet alleen toe dient om de mislukkelingen van de maatschappelijke ratrace voor succes ‘op te bergen’ achter gesloten deuren, maar er ook actief aan bijdraagt om arme mensen arm te houden. Hij spreekt dan ook van de gevangenis als armoede-fabriek. Ronny, een van de jongens die ik interviewde, benadrukte dat het ontzettend duur is om arm te zijn en in de gevangenis te zitten. Alles kost geld: de advocaat, het verlies van werk en huisvesting, de reis die familieleden moeten maken om op bezoek te komen.

 

De armoede die de gevangenis creëert is niet alleen materieel, maar ook emotioneel en symbolisch. Bij binnenkomst wordt je een nummer en na terugkeer wordt je in de eerste plaats als ex-con gezien, en niet als zoon, student, buurman of collega. Door een lange periode van detentie verlies je niet alleen je vrienden, je baan, je huis, maar ook je vertrouwen in de toekomst, je plezier in het leven, je waardigheid. De jongens die ik spreek zijn niet altijd stoer, maar laten ook hun kwetsbare kant zien. Als ze niet opscheppen, praten ze vaak over de dingen die ze missen: het lekkere eten van hun oma, de knuffels van hun broertjes en zusjes, de grappen van hun vrienden. Ze brengen lange periodes door zonder een bekende van thuis te kunnen spreken of aanraken. De dingen die ze het meeste missen zijn juist de dingen die ze niet met geld kunnen kopen. Compensatie voor dat gemis wordt in de gevangenis niet geboden. Zelfs de zeldzame momenten van extra aandacht zijn armoedig. Vorige week haalde Chris zijn eindexamen. De staf had voor taart gezorgd. Ik nam een hap van de knalroze homp cake op mijn plastic bordje en voelde het glazuur van mijn tanden springen. Collega-vrijwilliger Sarah bedankte beleefd voor haar portie. “Ik hoef die zoete troep niet”, zei ze later. “Ze hebben de meest goedkope taart uit de supermarkt gehaald. Dat ding zit vol kleurstof en is hartstikke ongezond.” Het slagen voor je eindexamen wordt doorgaans gezien als de start van een veelbelovend volwassen leven. Chris vierde deze mijlpaal met gevangenisbewaarders, goedkope taart en zonder zijn familie.

 

Het is niet vreemd dat iedereen droomt van rijkdom op een plek die zoveel armoede reproduceert. De jongens die tegen mij opscheppen over hun geld zoeken naar een manier om indruk te maken, om zich sterk te voelen tegenover een vreemde, om goed voor de dag te komen. Voor mij is het een luxe om te kunnen zeggen dat ik geen diamanten trouwring nodig heb. Ik kan dat zeggen omdat ik mezelf verzekerd voel van een sterke basis. Op de dagen dat ik twijfel aan die basis droom ik ook over het winnen van de loterij. Het wordt pas makkelijk om te zeggen dat geld niet belangrijk is als je al rijk bent.